Voordat een tiener zichzelf kan aanvaarden, moet hij eerst ontdekken wie hij is. In de maatschappij om tieners heen wordt veel aandacht besteed aan zelfontplooiing. Ze komen via influencers op veel manieren daarmee in aanraking en ze spiegelen zichzelf. De boodschap is dan vaak: ‘Maak iemand van jezelf en experimenteer, je maakt uiteindelijk zelf uit wie je bent’. Zichzelf vergelijken met influencers die een mooier en een maakbaar beeld schetsen, zorgt voor extra onzekerheid bij tieners. Om hen heen is steevast het antwoord: ‘Maak iemand van jezelf. Experimenteer met jezelf en ontdek zo hoe je wilt zijn.’ Dit zelf moeten uitzoeken maakt ten diepste ook eenzaam.
Ten diepste is de vraag ‘wie ben ik?’ nauwelijks hanteerbaar voor een tiener. Een vraag die een tiener méér zal herkennen, is de vraag: ben ik oké zoals ik ben? Dat is de vraag naar de zelfaanvaarding. Die vraag kan zich uiten in vragen die tieners stellen over uiterlijk of capaciteiten: ‘Ben ik niet te dik?’ Of: ‘Ben ik niet te dom?’
Zelfaanvaarding kan echter niet los van de aanvaarding door anderen, dus het is van belang dat tieners zich geliefd weten door mensen om hen heen. De personen in het leven van een tiener die het meest dichtbij staan en betrouwbaar zijn, hebben daar de meeste positieve invloed op.
Doorslaggevende vraag voor de tieners is: wat vindt God van mij? God heeft hem of haar gewild! Want Hij heeft je gemaakt en Hij maakt geen rommel. Dat betekent dat lichamelijk of qua capaciteiten (als schepsel) niets in de weg staat om door God geliefd te worden. Voor Hem ben je oké!
Toch voelt de tiener wel aan dat niet alles goed is. Als schepsel is hij oké, maar als zondaar gaat hij daar steeds weer de verkeerde kant mee uit. Dus op de vraag ‘mag ik er zijn?’, moet tweeledig geantwoord worden: 1. Ja, namelijk zoals God me gemaakt heeft; 2. Nee, niet (zo)als ik mezelf losmaak van God. Zelfaanvaarding houdt daarom ook in: toegeven dat je los van God ‘niemand’ bent. Je bent een zondaar en hebt Jezus’ hulp en vergeving nodig.
Het is belangrijk om dit goed te onderscheiden. Voor God ben je echt niet minder omdat je ‘te zwaar’ zou zijn of ‘te dom’. Met andere woorden: je hebt geen vergeving nodig voor een afwijkend gewicht of omdat je minder intelligent bent, maar wel voor je gedachten en handelingen buiten God om. Voor Hem hoef je je niet te schamen voor je uiterlijk, wél voor je zonden!